10. Overlevering
De taal werd tot een teken toe beknot.
Nu ik in klanken weer een zin ontdek en woord na woord
herneemt zijn eigen plek als hart en ziel
weer in dit overschot.
Nu ik weer zin en klanken samentrek
die zijn gescheiden door een tussenschot –
zo schrijvend ben ik met je in gesprek.
Mijn vastgelopen leven wordt weer vlot.
Leer me te uiten weer met wàt ik red:
de resten worden, letterlijk, aktief.
Het spreken is, vers twee, op schrift gezet.
Mijn woorden schenken weer een perspektief.
Zij vormen tot één teken dit sonnet.
Het zegt per slot alleen: ik heb ze lief.
September 1986
